JACQUES (Victor)

Jacques, Victor (Brussel, 23 maart 1858 – Brussel, 10 maart 1925), arts en antropoloog.

Victor Jacques studeert geneeskunde aan de Université Libre de Bruxelles (ulb) en werkt als leerling van Paul Héger aanvankelijk in het fysiologische laboratorium. In 1880 promoveert hij met het proefschrift Locations des alcaloïdes dans le foie. Een jaar later geeft hij reeds les aan de Brusselse universiteit waar hij in 1897 tot gewoon hoogleraar wordt benoemd. Hij doceert er onder andere farmacodynamie en fysiologie. Jacques leidt in de periode 1891-1901 bovendien het weeshuis van de stad Brussel. Nadien combineert hij zijn onderwijsopdracht zelfs met het werk als pediater in het Sint-Pietersziekenhuis (1901-1908) en het directeurschap van het Institut d’Hygiène, de Bactériologie et de Thérapeutique van de ulb, gelegen in de Cité des sciences van het Brusselse Leopoldpark, waar hij Edmond Destrée opvolgt.

Naast dit alles levert Jacques een belangrijke bijdrage tot de begindagen van Belgische antropologie. Zo sticht hij in februari 1882 mee de Société d’Anthropologie de Bruxelles (sab) waar hij tot secretaris en later tot voorzitter wordt benoemd. Jacques is er de drijvende kracht en verzorgt onder andere de uitgave van het Bulletin de la Société d’Anthropologie de Bruxelles dat van 1904 tot 1931 verschijnt onder de titel Bulletin et Mémoires de la Société d’Anthropologie de Bruxelles. Jacques publiceert hierin meer dan 120 bijdragen. Hij is bovendien corresponderend lid van antropologische genootschappen in Moskou, Lyon, Berlijn en de Société d’Anthropologie de Paris (sap), het grote voorbeeld voor de Belgische tegenhanger. In hetzelfde jaar als de oprichting van de sab neemt Jacques daarenboven de leerstoel fysieke antropologie aan de ulb over van Paul Héger. In 1894 wordt Jacques nog benoemd tot voorzitter van de afdeling wetenschappen van de Société d’Etudes Coloniales. Ondanks zijn drukke bezigheden toont Jacques interesse voor de vele deeldisciplines van de antropologie, zoals de fysieke antropologie, etnografie en archeologie.

Aanvankelijk richt Jacques zijn aandacht op de rassendiversiteit in eigen land. Als fysiek antropoloog verwerft hij al snel faam met de publicatie Les crânes du cimetière du Sablon à Bruxelles: sur l'ethnologie de la Belgique (1883). In samenwerking met het Musée d’histoire naturelle biedt de studie een analyse van 153 skeletten van een voormalig Brussels kerkhof (1299-1704), opgegraven naar aanleiding van de aanleg van de Zavel in Brussel. In navolging van zijn grote voorbeeld Paul Broca, die eerder een soortgelijk onderzoek uitvoerde in Parijs, stelt Jacques dat de moderne Brusselaar een grotere herseninhoud heeft dan zijn voorouders. De analyse van fysieke kenmerken gaat gepaard met de formulering van morele oordelen. Zo onderscheidt Jacques, die deel uitmaakt van de gegoede Franstalige burgerij in Brussel, langschedelige Vlamingen en Walen met een ronder hoofd, waarbij hij de Vlamingen als wellustig, koppig, star, wantrouwig, traag, traditioneel en weinig inventief omschrijft. Vlamingen bevinden zich uiteindelijk tussen de ontwikkelingsfase van de Neanderthaler en het toppunt van de beschaving dat in de persoon van de Waal wordt belichaamd. Volgens Jacques zou de Vlaming uiteindelijk het onderspit moeten delven in de “struggle for life”.

Zonder zelf ooit te reizen, voert Jacques nadien ook fysiek antropologisch onderzoek uit op de koloniale “andere”: Aboriginals, indianen en vooral Congolezen. Als kamergeleerde is Jacques hierbij afhankelijk van Belgische kolonialen die menselijke resten uit Congo aandragen. Binnen de sab wordt al snel een collectie schedels aangelegd die tot op vandaag wordt bewaard binnen de faculteit geneeskunde van de ulb. Ook de Congolezen die in “negerdorpen” worden tentoongesteld op de wereldtentoonstelling Antwerpen 1894 en Brussel-Tervuren 1897 bieden een buitenkans. Zonder naar Congo te moeten reizen, kan Jacques, van de 144 Congolezen in Antwerpen en de 267 in Tervuren, respectievelijk 108 en 227 mensen in cijfers vatten. Via honderden metingen deelt hij de individuen op in 16 “rassen”. Jacques verdedigt de idee van een aangeboren inferioriteit, in tegenstelling tot vele kolonialen die wel “civilisering” mogelijk achten, juist door de aanwezigheid van Europeanen in Afrika. Samen met zijn collega Emile Houzé, verzet Jacques zich bovendien tegen de idee van de eenheid van de menselijke soort, of het monogenisme. Als polygenist stelt hij dat verschillende menselijke groepen niet afstammen van elkaar, maar eerder het resultaat vormen van een parallelle ontwikkeling.

Naast zijn fysiek antropologische studies, besteedt Jacques als eerste Belgische antropoloog in moderne zin, ook uitgebreid aandacht aan de etnografie. Samen met Emile Storms, militair en stichter van de koloniale post Mpala, publiceert hij in 1886 de Notes sur l’ethnographie de la partie orientale de l’Afrique équatoriale. De studie is gebaseerd op de Questionnaire de sociologie et d’ethnographie, een lijst van 282 vragen die drie jaar eerder door de sap was gepubliceerd. Ook de studie van Jacques en Storms bevat vijf hoofdstukken, “la vie nutritive, affective, sensitive, sociale et intellectuelle”, waarvan wordt aangenomen dat het een getrouw beeld geeft van de lokale “zeden en gewoonten”. Als polygenist stelt Jacques dat Afrikanen onmogelijk uit zichzelf tot enige vorm van civilisatie zouden kunnen komen. Elke vorm van vooruitgang wordt toegedicht aan externe invloeden en de aanpassing aan het milieu. Later, na een bezoek aan de koloniale tentoonstelling in Tervuren in 1897, waar hij Afrikaanse “kunstuitingen” bewondert, stelt Jacques echter dat Congolezen dan toch een zekere vorm van “civilisatie” hadden bereikt en dus vatbaar zouden zijn voor een “progressieve ontwikkeling” waarbij ze, in theorie althans, tot het niveau van Europese naties zouden kunnen opklimmen. Deze stellingen leunen eerder aan bij het Britse (en monogenistische) evolutionisme waarin wordt aangenomen dat alle volkeren, net vanwege hun gemeenschappelijke oorsprong, dezelfde fases doorlopen in hun evolutie naar de “beschaving”.

Een jaar later wordt de tijdelijke wereldtentoonstelling in Tervuren omgevormd tot een permanente instelling onder de naam “Musée du Congo”. De onderzoeksafdeling antropologie bestaat uit twee onderafdelingen: prehistorie, onder leiding van Xavier Stainier, en fysieke antropologie waarvoor Jacques de verantwoordelijkheid opneemt. Het museum doet opnieuw beroep op kolonialen “in het veld” om nieuw materiaal te verzamelen. Jacques publiceert hiertoe het Carnet d’observations ethnologiques, een handleiding in de fysieke antropologie die naar artsen in de kolonie wordt verstuurd samen met de nodige instrumenten om bijkomende schedels en meetresultaten te verzamelen. Mede door de epistemologische crisis waarin de fysieke antropologie zich rond de eeuwwisseling bevindt, kent het initiatief echter weinig succes. De methodologische zwakte verhindert alleszins de definitieve “inventarisatie” van de Congolese “rassen”.

Vanaf 1901 zetelt Jacques dan ook als expert in de etnografische sectie van de adviesraad Commission permanente d’études du Musée de Tervueren. Jacques’ expertise leidt onder andere tot zijn medewerking aan de uitgave van een tweede, ditmaal etnografische handleiding. De Questionnaire ethnographique et sociologique van de Etat Indépendant du Congo is bijna een letterlijke kopie van het initiatief van de sap. De vragenlijst van maar liefst 57 bladzijden wordt opnieuw naar verschillende kolonialen verstuurd, maar ook hier met beperkt succes. In La Belgique Coloniale verschijnen slechts enkele resultaten die bovendien vooral “feiten” bevatten en geen aanleiding geven tot meer theoretische beschouwingen. Na het failliet van de fysieke antropologie richt Jacques zich echter vooral op de koloniale archeologie, een volgende discipline binnen de antropologie.

In 1899 publiceert Stainier nog L’âge de la pierre au Congo in de Annalen van het “Musée du Congo” op basis van de eerste 45 ingeschreven stukken. Jacques analyseert nadien naar eigen zeggen echter meer dan 3000 “paleoetnologische” artefacten uit diverse musea en zijn privécollectie. De studie moest aanleiding geven tot de publicatie van een tweede, meer substantiële synthese ter vervanging van de “voorlopige conclusies” van Stainier. De plannen kennen echter steeds uitstel en worden door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en een slepende ziekte van Jacques definitief op de lange baan geschoven. Het manuscript blijft ook postuum onuitgegeven. Uit het manuscript en andere publicaties blijkt dat Jacques ook in deze discipline evolutionistische en polygenistische ideeën tracht te verzoenen. Enerzijds wijzen de grote morfologische gelijkenissen tussen Europese en Congolese prehistorische voorwerpen volgens Jacques op het feit dat de mens overal ter wereld dezelfde evolutiefases doormaakt. Toch evolueerde Afrika volgens Jacques trager dan Europa en werden stenen werktuigen in Congo nog tot in de 14de eeuw gebruikt. Over de begindatum van de steentijd, en het debat over het al dan niet bestaan van een Afrikaans Paleolithicum, neemt een twijfelende Jacques geen stelling in. Anderzijds wijst de polygenist in Jacques het gebruik van stenen werktuigen in Congo alsnog toe aan een apart “ras”, met name de “pygmeeën”. Zonder zich te baseren op paleontologische vondsten, beschouwt Jacques deze bevolkingsgroep als de oorspronkelijke bewoners van het Congobekken die, nadat ze waren verdreven door de Bantu bevolking, net als de Vlamingen, nu met uitsterven worden bedreigd. De “pygmeeëntheorie” wordt echter al ontkracht door Jacques’ tijdgenoten. Zo stoot Adolphe de Calonne-Beaufaict in het noorden van Congo op rotsgravures van stenen werktuigen en voetafdrukken van meer dan 27 cm, te groot voor pygmeeën zo wordt aangenomen.*

 

Maarten Couttenier
Koninklijk Museum voor Midden-Afrika

 

Onuitgegeven bronnen:

 

Archief ulb, H 12 JACQUE 19*V.

 

Archief Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, Afdeling prehistorie en archeologie, Jacques, dossier 87, manuscript zonder titel en datum.

 

Uitgegeven bronnen:

 

  1. Publicaties van V. Jacques:

 

Jacques (V.), Eléments d’embryologie. Leçons recueillies à l’Université de Bruxelles. Paris, s.n., 1883.

Jacques (V.), Les crânes du cimetière du Sablon à Bruxelles: sur l'ethnologie de la Belgique. Bruxelles, Manceaux, 1883.

Jacques (V.) & Storms (E.), Notes sur l’ethnographie de la partie orientale de L’Afrique équatoriale, in Bulletin de la Société d’Anthropologie de Bruxelles, 5, 1886, p. 91–223.

Jacques (V.), Les Congolais de l’Exposition Universelle d’Anvers, in Bulletin de la Société d’Anthropologie de Bruxelles, 13, 1894, p. 284–332.

Jacques (V.), Les Congolais de l’Exposition Universelle Bruxelles – Tervueren, in Bulletin de la Société d’Anthropologie de Bruxelles, 16, 1897, p. 183–243.

Jacques (V.), Carnet d’observations ethnologiques. Etat Indépendant du Congo Musée. Hayez, Bruxelles, 1898.

Jacques (V.) Lemaire (C.) Demeuse (F.) Héger (P.) & Daenen (A.), Questionnaire ethnographique et sociologique. Etat Indépendant du Congo. Hayez, Bruxelles, 1898.

Jacques (V.), Compte rendu du Congrès de la Fédération des Sociétés d’Histoire et d’Archéologie à Dinant (9-13 août 1903), in Bulletin de la Société d'Anthropologie de Bruxelles, 22, 1903, p. 82-88.

 

Jacques (V.), Etude comparée de l'âge de la pierre au Congo et dans l'Occident de l'Europe, in de Pierpont (E .), ed., Congrès de Dinant organisé par la Société archéologique de Namur 9-13 août 1903 : compte rendu, Namur, Wesmael-Charlier, 1904, p. 493-510.

 

 

Wetenschappelijke werken:

 

Coosemans (M.), Jacques, in Biographie Coloniale Belge, 5, 1958, p. 471-472.

Couttenier (M.), Congo tentoongesteld. Een geschiedenis van de Belgische antropologie en het museum van Tervuren (1882-1925). Leuven, Acco / Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, 2005.

Couttenier (M.), Sociétés scientifiques, musées, universités. L’étude de la préhistoire du Congo belge (1877-1936), in Les nouvelles de l’archéologie, 127, 2012, te verschijnen.

Zunz (E.), Notice sur la vie et les travaux de Victor Jacques, Professeur honoraire à la Faculté de Médecine, in Rapport sur l’année académique, 91, 1924-1925, p. 52-54.

 

* Deze bijdrage kwam tot stand dankzij het onderzoeksproject ‘Congo in Tervuren. Een geschiedenis van de menswetenschappen en hun representatie in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (1897-2010) van het Federaal Ministerie Wetenschapsbeleid (BELSPO).

 

Undefined
Tomaison: 

Biographical Dictionary of Overseas Belgians